• Saartje Baert

MIJN LIEVE GUNSTELING – MARIEKE LUCAS RIJNEVELD


Als antwoord op de vraag ‘Wat vond je van dit boek, Saartje?’, kan ik je nu al zeggen dat ik me stante pede achter de oren zal krabben. Ik zal wat onwennig draaien en keren op m’n stoel (stel dat ik gezeten ben). Een diepe zucht zal me ontsnappen en ik zal u indringend aankijken. En dan zal ik uw vraag beantwoorden met een wedervraag: ‘Heb je even?’


Maar vooraleer ik van leer trek met m’n relaas over dit boek, schotel ik u eerst de volgende vragen voor:

  • Bent u bereid een boek te lezen dat de schoonste der schoonste taal op u laat neerdwarrelen?

  • Maar tegelijkertijd ook het lelijkste dat in de verborgenheden van een mens kan huizen naar boven laat komen?

  • Bent u tot slot ook bereid een boek te lezen waarin ellelange, eindeloze, grenzeloze zinnen de pagina’s doorklieven?

  • 3 keer JA? GO!

Ik geef het grif toe, ik was niet voldoende voorbereid op dit boek. Ik had de cover al een aantal keer zien prijken op menig sociaal media-platform en ik was getriggerd. De kleuren spraken me aan, de titel voelde aan als een warm, zacht dekentje van hemelse dons en de kritieken waren meestal 5-sterrig gekleurd. Meer had ik niet nodig om aan het lezen te slaan. Maar ik had werkelijk geen idee wat me te wachten stond…


Al na enkele hoofdstukken belandde ik in zware dubio. Zou ik dit boek (even) parkeren of ging ik genadeloos door? Nee, mijn twijfel had niets te maken met bijvoorbeeld de lengte van de zinnen. Ja, ze zijn oneindig lang, maar dat stoorde me geen seconde. Integendeel. Het bracht een ritme in het verhaal dat al heel snel ook het mijne werd. Het reeg gedachten aan elkaar in een tempo dat nu eenmaal eigen is aan de manier waarop onze gedachten werken: associatief. We springen van de hak op de tak. We verbinden het ene idee aan het andere, wat ons dan weer leidt naar een nieuw idee. De schrijfstijl bracht dit associatief denken helemaal naar boven bij mij en ik hield ervan. Zo erg. Dus nee, mijn hapering had niets te maken met de lengte van de zinnen. Maar de inhoud… ojee, de inhoud… (ik neem m’n aanloop in een nieuwe alinea).


Ik had het zó moeilijk met de inhoud van het boek. Dit verhaal is zo hard onder mijn vel gekropen. Ik heb, werkelijk waar, zo vaak met gebalde vuisten zitten lezen. Met een getrokken gezicht, met zó veel weerzin en afgrijzen. Ik voelde me vaak zelfs een ongenode en ongehoorde gast in het hoofd van de protagonist. Ik hoorde daar niet te zijn. Ik wilde daar eerlijk gezegd ook het merendeel van de tijd gewoon echt niet zijn. En toch. Toch leest een mens dit boek uit. Omdat het niet anders kan. Omdat het zó rauw is. En gruwelijk. En weerzinwekkend. En prachtig tegelijkertijd…


Hoofdpersonage ‘Kurt’ is een 49-jarige veearts. Hij is gehuwd met Camillia en heeft 2 tienerzonen. Tot hiertoe: alles normaal. Maar al gauw blijkt dat de veearts een wel erg opvallende interesse toont in de 14-jarige dochter van één van de boeren die hij geregeld bezoekt. Het meisje van boerderij ‘De Hulst’ laat hem niet los, bedwelmt hem compleet, neemt zijn gedachten dag en nacht in beslag. Het lukt hem niet meer om haar te bannen uit zijn innerlijke leven. Wat de tol ook is die hij ervoor zal moeten betalen. Wanneer op een bepaald moment in het verhaal het woord ‘magistraten’ valt, weet je hoe laat het is…


Langzaam zoekt hij toenadering tot ‘zijn lieve Gunsteling’. Zijn lievelingsdier. Minne-godje. Lichtgewicht-kameraadje. Zijn Bonnie. (Hij was dan Clyde.) Zijn Julia. (Hij dan Romeo). Schoorvoetend omarmt ze ook dat contact. Zij is blij dat ze graag gezien wordt. Dat ze beluisterd wordt. Bij Kurt kan ze terecht met haar verhaal, met haar eindeloze fantasie, met haar muziek en haar poëzie. Hij beantwoordt haar vragen, bedenkingen en hersenspinsels en duikt samen met haar haar puberale wereld in.


Het 14-jarige meisje is een gehavend vogeltje. Je kan het niet anders stellen. Stap voor stap kom je te weten dat ze een bijzonder zware rugzak met zich meedraagt. De ‘verlatene’ en de ‘verlorene’ komen niet meer terug. Ze leeft door met haar vader en haar broer die weinig affiniteit hebben met het puberende meisje. Dat alles maakt haar zó kwetsbaar. Ze is bang om nogmaals iemand te verliezen en plooit zich volledig naar de verlangens van haar omgeving. Op die manier kan ze vasthouden in plaats van te moeten loslaten.


“Kurt, het gaat er vaak niet om wie je bent, maar wie zij willen dát je bent.”


‘Kurt’ grijpt die kwetsbaarheid en dat weke vertrouwen met beide handen aan om haar te bewerken. Subtiel. Hij zet haar oeverloze fantasie helemaal naar zijn hand tot ze op het punt komt dat ze zich volledig ontvouwt aan de man. Ze deelt haar diepste geheimen met hem, over het feit dat zo graag ook een ‘gewei’ wil hebben. Net zoals alle andere jongens. Haar fixatie op het mannelijk geslachtsorgaan wendt Kurt aan om steeds verder en verder tot haar door te dringen. Hij houdt haar leugens voor om haar mee te nemen in zijn eigen begeertes. Ze beseft niet dat wat Kurt met haar doet, niet normaal is. Allesbehalve.


“Ik kroop langzaam onder je huid, als leverbot in een rund. Ik kon er niets mooiers van maken. Ik was een parasiet.”


Wanneer haar broer haar dagboek leest en allerlei ‘aandenkens’ terugvindt onder haar bed, begint het doek genadeloos te vallen. Kurt klampt zich vast aan het meisje tot wanneer elke bedrading tussen hen definitief wordt doorgeknipt door de buitenwereld.

We lezen het verhaal door de ogen van veearts Kurt. Hij probeert zijn gedachten en gedragingen met de regelmaat van de klok te rechtvaardigen, maar toch zet hij zijn perverse daden door. Wat hij doet, wat hij denkt, wat hij voelt, is gruwelijk. Maar wat hij als kind zelf meemaakte, is dat evenzeer. Kurt is zelf een even gehavende vogel als het meisje. Hij werd als puber met de regelmaat van de klok misbruikt door zijn eigen moeder. Ze dwong hem tot de meest perverse daden. Om dan te strooien met ‘goedmaakpannekoeken’. De puberteit heeft ‘Kurt’ nooit mogen beleven zoals de meeste andere pubers dat hopelijk wel kunnen.


“Bij jou kwam de 14-jarige die ik destijds was omhoog, hij werkte zich driftig tussen mijn botten door en wilde gezien worden, het voelde alsof ik opnieuw in de puberteit kwam, ik wilde samen met jou alles ontdekken, ik wilde je niet beschadingen, mijn mooie Putto, ik had gewoon geen vat meer op mijn eigen begeerten…”


Ik heb zelden een boek gelezen dat zo bol staat van de prachtige zinsneden. Ik las op de achterflap het woord ‘meanderende taal’. Ik kan het eigenlijk niet beter verwoorden, want zo voelt het helemaal aan. Je kringelt en slingert doorheen de monoloog van het hoofdpersonage. De taal van Marieke Lucas Rijneveld heeft me veroverd en verleid. Op sommige verwoordingen werd ik instant verliefd. Lees, Lees, Lees!


“en dan was er nog de vader van een klasgenootje met een autobedrijf die zich op een dag in de achtertuin met een revolver door de kop schoot… je rekende hem bij je verlies omdat hij altijd vriendelijk naar je glimlachte en zwaaide en nooit liet merken dat hij moeite had met de startkabels van de existentie…”


“Ik zou genoeg hebben aan mijn lievelingsboek, aan jou, want jij verrijkte mijn leven, bij jou legde ik een ezelsoor in iedere pagina, bij jou koesterde ik zowel de zetspiegel als de witregels…”


Prachtig en gruwelijk tegelijkertijd. Dát zou uiteindelijk mijn antwoord zijn op de vraag: “Saartje, wat vond je van dit verhaal?” Prachtig om de taal, gruwelijk om het verhaal. Gruwelijk prachtig dus. Zwier het op je lijst. En laat me weten wat je ervan vindt.

ps: Ik ben gek op alle verwijzingen naar muziek en poëzie in dit boek! Het zijn er mas-sa’s! En er is een Spotify-lijst van de muziek opgesteld door uitgeverij Atlas/Contact. Ga dat beluisteren!

11 views

Recent Posts

See All